© 2017 Royer Reuzengilde

HENDRIK VAN WASSENAER

Een Royse reus en een heer van stand: Hendrik van Wassenaer tot Warmont (1642-1709)

 

Op vrijdagavond 11 september 2009 werd landcommandeur Hendrik van Wassenaer, Heer van Gruitrode precies 300 jaar na zijn dood alsnog in het bevolkingsregister van Meeuwen-Gruitrode ingeschreven.  Deze plechtigheid vond in aanwezigheid van burgemeester en schepenen plaats op de binnenkoer van de commanderij van Gruitrode, waar de feesteling eertijds 16 jaar had verbleven.  Uiteraard nam zijn gelijknamige Royse reus als zijn reïncarnatie de honneurs in ontvangst.  Op deze wijze konden vooral de talrijk aanwezige Gruitrodenaren hun voormalige, geliefde commandeur eren voor zijn goede zorgen.  Nochtans lag de populariteit van deze vreemdeling, een Hollander uit de hoge adel niet voor de hand.

 

Tolerant

 

Hendrik van Wassenaer tot Warmont, zoals hij voluit heette, werd inderdaad in de laatst vernoemde heerlijkheid in Zuid-Holland op 3 oktober 1642 geboren.  Zijn wieg stond wellicht in het Huis, de plaatselijke residentie van zijn ouders, Jacob, baron van Wassenaer en Maria Leonora van Eyckel.  Ofschoon hij een telg van een roemrijke familie was- zijn vader Johan werd als admiraal van de Hollandse vloot alom geprezen-, werd Jacob tot… merckelijk achterdeel katholiek opgevoed.  In het calvinistische Holland werd zijn carrière immers door zijn katholieke geloof gehypothekeerd.  Het verhinderde hem echter niet om een uiterst tolerante houding tegenover andere godsdienstige stromingen aan te nemen.  Religieus onderdrukten vonden bescherming in Warmond.  Zijn slotkapel stelde hij open voor alle katholieke gelovigen uit de streek.  De grondslag voor de latere verdraagzaamheid en ruimdenkendheid van zijn zoon Hendrik zou aldus in zijn jeugdjaren zijn gelegd.

 

Intrede in de Duitse Orde

 

Aangezien zijn oudere halfbroer Jan was voorbestemd om zijn vader als Heer van Warmond op te volgen, zou Hendrik noodgedwongen een geestelijke loopbaan kiezen.  Al op 9 juli 1657- hij moest nog 15 worden- werd beslist dat hij later in de Duitse Orde zou intreden.  Van een roeping was allicht geen sprake.  Mogelijk heeft ook het feit dat de Warmonts in de Republiek niet voldoende katholieke huwelijkskandidaten van gelijke stand konden vinden hierbij een rol gespeeld.

 

Vader Jacob, die overigens één jaar later zou overlijden solliciteerde met succes voor een plaatsje in deze orde die hij al eerder begunstigd had.  De aanvaarding bleef dan ook niet lang uit toen bleek dat Hendrik aan alle toelatingsvoorwaarden voldeed.  Zo kon hij zonder veel moeite de vereiste acht adellijke kwartieren voorleggen.  Dat hield in dat zijn beide ouders, zijn vier grootouders en zijn acht overgrootouders zonder onderscheid van adel moesten zijn.  De ordestatuten voorzagen evenwel niet dat zo’n jonge man al zijn noviciaat zou vervullen en dus ging Hendrik aanvankelijk nog een tijdlang onder rector Albertus Rensing, aan de universiteit van Keulen studeren.  Vreemd genoeg kozen nagenoeg al zijn familieleden ondanks hun katholicisme voor de calvinistische universiteit van Leiden.

 

Klaarblijkelijk heeft Hendrik de draagwijdte van zijn intrede niet ingezien want zijn proefperiode, eind 1662 en begin 1663 ging niet onopgemerkt voorbij.  Hij werd er op gewezen dat hij de voorgeschreven instructies strikter zou moeten naleven.  Een weg terug zonder enorm gezichtsverlies was er natuurlijk niet en wellicht heeft Hendrik dat ook niet echt gewild.  Integendeel.  Voor zijn jongere broer Filips bood de Duitse Orde weldra eveneens een toekomstperspectief.  Aangezien het ongebruikelijk was beide broers in dezelfde balije (of provincie) op te nemen, werd Filips in de balije Franken in Midden-Duitsland aanvaard.  Hendrik maakte inmiddels deel uit van de balije Biesen in de huidige Euregio.  Op 2 juli 1663 zou hij er in de commanderij van Gemert de ridderslag ontvangen.

 

Deelname aan campagnes?

 

Volgens de ordestatuten zou Hendrik van Wassenaer vervolgens aan drie militaire campagnes moeten deelnemen, maar een vechtjas was hij allerminst.  Tijdens zijn jeugdjaren die hij in luxe in land- en buitenhuizen had doorgebracht was er weinig of geen aandacht naar een militaire opleiding uitgegaan.  Nauwelijks enkele jaren na het einde van de Tachtigjarige Oorlog lag de inlijving van een katholieke edelman in het staatse leger nog niet voor de hand.


Toch moest Hendrik naar het front en wel in Hongarije waar hij het Turkse moslimleger moest bestrijden.  Hier beleefde Hendrik allicht één van zijn grootste traumatische ervaringen uit zijn leven.  Op 25 juli 1664 stierf de 20-jarige Filips als vrijwilliger ten gevolge van hoge koorts. Volgens de officiële ordegeschiedenis was hij een heldhaftige en gewelddadige dood gestorven, hetgeen moest bijdragen tot zijn heldenverering.

 

Filips werd in Bad Radkersburg met militaire eer begraven.  Nauwelijks enkele dagen later vond een vreselijke veldslag nabij Mögersdorf plaats: de Turken werden verslagen, maar het keizerlijk leger leed zware verliezen.  Hendrik had er zich volgens een brief van landcommandeur (het hoofd) von Bocholtz van de balije Biesen rühmlich verhalten und dapfer gefochten, maar aan de juistheid van deze officiële versie kan eveneens getwijfeld worden.  Uit een betrouwbaarder bron blijkt dat Wassenaer vóór het bloedige treffen ook al “ernstig ziek” zou zijn geworden.  Naar eigen zeggen zou de Hongaarse lucht zijn bloed zodanig hebben verhit dat zijn hele lichaam verbrandde.  Wekenlang was hij spoorloos.  Zonder medeweten, laat staan de uitdrukkelijke toestemming van zijn superieuren was hij naar Wenen vertrokken.  Landcommandeur von Bocholtz, duidelijk verveeld met het voorval, bagatelliseerde het incident door het wispelturige gedrag van Hendrik als … die Hollandische freije façon d’agir… (de Hollandse manier van doen)  te beschouwen.  Bocholtz wilde met zijn demarche de invloedrijke familie van Wassenaer kort na de dood van Filips ontzien.  Voor zijn vermoedelijke vaandelvlucht werd Hendrik dan ook nooit gestraft.

 

Om alvast de zuiderse lucht gewoon te geraken werd hij nadien naar Italië gestuurd zodat hij er bij  campagnes zou kunnen worden ingezet, maar ook hier kwam niets van in huis.  De ordeleiding wilde in 1666 Hendrik aan de Devolutieoorlog laten deelnemen.  Merkwaardigerwijze zou deze Hollander partij moeten kiezen tegen zijn landgenoten.  Landcommandeur von Bocholtz, die neutraal wilde blijven, tekende echter verzet aan vermits … es der mir anvertrauten Balleij höchst gefährlich sein solten….  Hij stelde voor om Hendrik dan maar zelf te laten kiezen, maar van uitstel kwam afstel.  Mogelijk speelde hierbij enige druk vanuit Warmond een rol.  Resultaat was wel dat Hendrik nooit nog een slagveld zou betreden.

 

Goede sier als commandeur van Gruitrode

 

Het toeval speelde nu mee: op 15 januari 1667 was Johan Adriaan van Bilandt, commandeur van Gruitrode, nogal onverwacht overleden.  Normaal gesproken kwam de 24-jarige Hendrik voor deze relatief belangrijke functie niet in aanmerking, vermits de promoties door anciënniteit beheerst werden. De jonge Wassenaer genoot blijkbaar heel wat voorrechten want hem werd zelfs de vrije keuze gelaten om commandeur van Gruitrode of van St.-Aegidius te Aken te worden.  Zonder aarzelen verkoos Hendrik het commandeurschap van Gruitrode.  Een doordacht politiek manoeuvre lag aan de basis hiervan: het was zeer belangrijk in oorlogstijd die guete und vielvermögende freundt in Hollandt (de Wassenaers) zu conserviren.  Hendrik werd geen strobreed in de weg gelegd.

 

De Gruitrodenaren zullen allicht zeer argwanend hebben gestaan tegenover de benoeming van hun nieuwe Hollandse “kasteelheer” die beslist niet aan het statutaire profiel van een Duitse Orderidder beantwoordde.  Een held, zoals vele van zijn voorgangers was hij zeker niet.  Voor zover bekend begeerde hij het vrouwelijk schoon niet.  Zijn liefde ging wel door de maag.  Te oordelen naar zijn corpulentie, zijn hangend buikje en dubbele kin moet hij wel met uitzondering van de traditionele vastendagen als een echte Bourgondiër geleefd hebben.  Deze hypothese wordt bevestigd op basis van historisch en archeologisch onderzoek.  Een massa oesterschelpen, bierpotten en pijpjes uit zijn tijd werden in de slotgracht van de commanderij van Gruitrode teruggevonden.  Tijdens zijn ambtsperiode werden relatief grote hoeveelheden tabak, specerijen, vaak duurdere vissoorten en ook wel eens Franse wijn en brandewijn meestal in Maaseik, Bree of Maastricht aangekocht.  Wit brood kon in de commanderij vanaf juli 1678 zelf worden gebakken.  Een vaste kok stond in voor de bereiding van de gerechten en bij langere afwezigheid vergezelde de kok wel eens zijn commandeur.  Toen echter kok Thomas Thiriar in november 1678 ziek was, kwam zijn collega Jean uit Gemert voor Wassenaer koken.  Bier werd daarentegen zelden gekocht aangezien het in de kasteelboerderij zelf kon gebrouwen worden.  Blijkbaar smaakte het gerstenat goed want in juli 1678 werd een slot op de deur van de bierkelder aangebracht.  Hendrik had trouwens ook het recht om gratis vier potten bier uit ieder brouwsel te Bree te scheppen.

 

Blijkbaar was mijnheer de commandeur eveneens op meloenen verlekkerd.  In maart 1682 werd een speciale broeikas voor eigen teelt gemaakt.  Het zal wel niemand verbazen dat een flink deel van het budget aan spijs en drank gespendeerd werd.  Zo werd in de periode juli 1677-juni 1678 39,4 % aan voeding en drank en 23,3 % aan personeelskosten uitgegeven.  Zoals het een heer van stand betaamde, had Hendrik een uitgebreide “hofhouding”, bestaande uit o.a. een gouvernante, een kapelaan en een rentmeester, een kok, een lakei, een portier en een hovenier.  Zij moesten de talrijke hoge gasten goed verzorgen.  Hoogtepunt vormde zonder twijfel de komst van de 17-jarige Mary II Stuart, echtgenote van prins Willem III van Oranje en toekomstige koningin van Engeland.  Op weg naar haar kuuroord in Aken, half augustus 1679 vereerde zij Hendrik van Wassenaer met een bezoek.  Inderhaast werd voor een rijkelijke maaltijd gezorgd.  In die zin werd in Maastricht een exclusieve sukadekoek (met de gekonfijte, onrijpe schil van de cederappel) voor liefst 20 gulden, ongeveer de helft van het jaarinkomen van zijn dienstmeid aangekocht.  Ook de hoge heren van de Staten van Holland, het hoogste Hollandse bestuursorgaan, mochten op de terugreis vanuit Maastricht volgens een oude traditie voor een bedrag van liefst 100 gulden in de commanderij dineren.  Uiteraard moest de gastheer zelf bij de gastronomische maaltijden het goede voorbeeld geven.  Gevolg was wel dat mijnheer de commandeur wel eens ’s nachts van een “pispot” moest gebruikmaken en dat hij soms een purgeermiddel kreeg voorgeschreven om de stoelgang te bevorderen.

 

Relaties

 

Niet alleen had Hendrik van Wassenaer, zoals gesteld een telg uit de Hollandse hoge adel, uitstekende contacten met belangrijke politieke en militaire leiders, vooral uit zijn vaderland, maar ook toevallige hoogwaardigheidsbekleders op doorreis werden op het kasteel verwelkomd.  Gewone reizigers moesten zich echter tevreden stellen met een herberg, zoals Het Kruis in de dorpskom richting Bree.  In die tijd profiteerde Gruitrode optimaal van zijn gunstige ligging langs de kortste weg vanuit Den Bosch naar de Hollandse “enclave” Maastricht.

 

Voor Hendrik van Wassenaer, die het savoir-vivre tot een hogere levenskunst wist te verheffen, was de verdere verfraaiing van zijn kasteel een topprioriteit.  Aristocraten en edelen moesten immers met veel egards in een indrukwekkend decor ontvangen worden.  Na de plundering en de bezetting van de commanderij door Lorreinse huurlingen in 1652 had zijn voorganger Johan Adriaan van Bilandt de verbouwings- en restauratiewerken kordaat ter hand genomen.  Hendrik van Wassenaer zou echter de uitbouw van een imposant lustslot met barokke decoraties voltooien.  Vooral de afwerking van de slotkapel lag hem nauw aan het hart.  In 1743 schreef Saumery in dit verband bij een bezoek aan het kasteel: cette tour, bâtie en 1665, renferme une jolie chapelle dont l’ornement le plus remarquable est un bel autel d’ordre composite, revêtu du bois d’érable avec des ornements dorés.  Cet autel doit sa construction à un commandeur de la Maison de Wassenaer, comme l’indique l’inscription chronographique, fixée à l’an 1683: Dei Mathi Wassenaer supplex construit.


In deze mooie kapel zou zijn kapelaan in zijn bijzijn regelmatig missen lezen.  Ofschoon hij de geloften had afgelegd, mocht Hendrik namelijk niet in de eucharistieviering voorgaan.  Hij was een ridder en geen priester.  Nochtans was de commandeur zeer godsvruchtig.  In zijn lijkrede wordt de loftrompet gestoken over zijn vroomheid en zijn onderdanige naleving van de kerkelijke wetten.  Zelfs na zijn dood zou hij testamentair de opdracht geven 2000 missen voor zijn zielenheil te laten lezen.  Vreesde hij misschien God?

 

Geliefd!

 

Helemaal in overeenstemming met zijn diepgelovigheid had hij ten aanzien van zijn “onderdanen” en hulpbehoevenden een barmhartige en liefdadige ingesteldheid.  Regelmatig namen armen op de stenen banken achter het kasteelportaal plaats in de hoop een aalmoes te krijgen.  Hun wachten werd meestal beloond.  Geen wonder dat Hendrik van Wassenaer zeer geliefd was.  Ondanks zijn hoge afkomst stond hij tussen de mensen.


De onderdanen vreesden hem niet als Heer maar vereerden hem met kinderlijke liefde als een Vader, staat geschreven in de lijkrede, uitgesproken na zijn dood.  Toen Hendrik als nieuwe landcommandeur en Heer van Gruitrode op 5 september 1698 gehuldigd werd, droegen de Gruitrodenaren zelfs een lofdicht op: …Want in den duyst’ren tijt waert g’ons de schoonste lichten… Dus ieder groet sijn Heer, in sulck een groot vermaren, die eenen Vader was bij hun wel sesthien jaeren.  Sij segghen dit met liefd’: en met een soet gheluyt soo roepen sij van Wassenaer noch uyt… Verheucht U nu o kempen lant, Wassenaer sweert u bijstant…  Hierin werd gezinspeeld op het diplomatiek optreden van Hendrik van Wassenaer in roerige tijden.


De commandeur slaagde er in om in ruil voor een fikse geldsom een beschermbrief van de Franse bezetters in de oorlogsjaren (1672-1678) te bekomen.  Op deze wijze ontsnapte de commanderij en het dorp Gruitrode aan een mogelijke plundering en inkwartiering. 

Wellicht moet het bezoek van de Franse generaal Duras, gouverneur van Maaseik op 29 en 30 juni 1673 aan Wassenaer in die zin geïnterpreteerd worden.  Van Duras was immers geweten dat hij nogal kwistig beschermbrieven uitdeelde.  Bovendien was de Franse koning Lodewijk XIV de Duitse Orde aanvankelijk niet ongenegen! Kort voordien was de Zonnekoning nog te gast in de landcommanderij Alden Biesen.  Vermoedelijk is ook de pastoor van Meeuwen ten gunste van zijn parochianen met succes bij Hendrik tussengekomen om zijn hulp af te smeken.  Eind 1672 was hij in ieder geval een paar keer op bezoek bij de commandeur.  Wegens zijn diversche ende menichvuldige getrouwe diensten, zoals blijkt uit een document, gedateerd Meeuwen 18 juli 1673 moest Hendrik een gepast geschenk ontvangen.  Met de goedkeuring van de inwoners van Meeuwen en Wijshagen werd ten voordele van Gruitrode een grenscorrectie doorgevoerd, waarbij voortaan de beek op de Rieten de scheidingslijn zou vormen.  Het bood de commandeur de mogelijkheid om in dit vochtige gebied één of twee vijvers te laten graven.  Op deze wijze zou hij over de nodige verse vis kunnen beschikken.

 

Snelle promotie

 

Deze tussenkomst was geen alleenstaand feit.  Vaker heeft hij zijn diplomatieke kwaliteiten kunnen verzilveren en zijn relaties aangesproken om akkoorden af te sluiten.  Als vertegenwoordiger van de Duitse Orde in Holland heeft hij eveneens zijn sporen verdiend.  Nog in 1682 bedankte de ordeleiding hem voor het bekomen van belastingvrijstelling van ordegoederen in Overmaas na zware onderhandelingen in Den Haag.  Voor de Duitse Orde was Hendrik van Wassenaer tot Warmont “incontournable” geworden.  Zij kon niet meer om hem heen.  Zijn status binnen de orde, waarvan hij zich wel degelijk bewust was maar evenzeer zijn eigen ambities zouden zijn snelle promotie in de daaropvolgende jaren in de hand werken.  Op 6 oktober 1683 ruilde hij de commanderij van Gruitrode in voor deze van Bernissem nabij St.-Truiden.  Nauwelijks één jaar later, in december 1684 werd hij na de plotse dood van Ambrosius van Virmundt tot commandeur van Gemert bij Den Bosch gepromoveerd.  Toen hij besefte dat commandeur Caspar Schenck van Siersdorf op basis van zijn anciënniteit mogelijk deze belangrijke commanderij zou toegewezen krijgen, heeft hij zijn collega “afgekocht”.  Hendrik stelde Caspar voor een jaarlijks bedrag van 600 patacons schadeloos, het inkomstenverschil tussen de commanderijen van Siersdorf en Gemert.


Het commandeurschap van deze laatste heerlijkheid was vaak het laatste opstapje naar de hoogste eer: het landcommandeurschap van de balije Biesen.  Hendrik moest nog enkele jaren in de wachtkamer zitten want de bejaarde landcommandeur von Bocholtz wilde maar niet overlijden.

 

Eigenlijk kwam het Hendrik goed uit want na de dood van zijn halfbroer Jan, Heer van Warmond, op 26 mei 1687 moest hij als laatste mannelijke telg van zijn geslacht noodgedwongen nieuwe taken op zich nemen.  Het nieuwe familiehoofd werd peetvader en voogd van Anna Hendrina, dochter en erfgename van Jan.  Met lede ogen moest Hendrik later aanzien hoe zijn nichtje met graaf Ferdinand Maria van Berlo, een ruw een onhebbelijk heerschap in het huwelijk trad.  Was deze ongehoorzame houding voor Hendrik de reden om haar niet in zijn testament op te nemen?

 

Eindelijk landcommandeur

 

Op 26 oktober 1690 stierf landcommandeur von Bocholtz en uiteraard was er maar één echte “pretendent”.  Omwille van zijn grote verdiensten werd Hendrik tot diens opvolger benoemd.  Hij was immers het best geplaatst om de belangen van de balije Biesen in de Republiek te vrijwaren.  Zoals in Gruitrode gedroeg Wassenaer zich als een heer van stand.  Zijn blauw bloed kroop waar het niet gaan kon.  De hoofdzetel Alden Biesen, die zijn macht zou moeten etaleren wilde hij naar de smaak van die tijd verbouwen.  Derhalve lag hij aan de basis van de omvorming van het oude waterslot tot een moderne zomerresidentie naar Frans model.  Het gerestaureerde kabinet van Hendrik roept nu nog altijd de glorie van weleer op.  De aanleg van een Franse geometrische tuin en de bouw van een classicistische orangerie sloten nauw bij deze plannen aan.

 

In dit unieke kader maakte de landcommandeur goede sier.  Mijnheer rookte graag een pijpje en dronk liefst zijn Hoegaardse Witte.  Zijn gezonde eetlust weerhield Hendrik echter niet om nauwgezet zijn geloofsplichten te vervullen.  Vooral de kerk van zijn tweede hoofdhuis, Nieuwen Biesen te Maastricht, werd met een prachtig hoogaltaar voorzien.  Als vurig Maria-vereerder heeft hij in andere ordekerken jaargetijden en broederschappen gesticht.  Voor de  plaatselijke armen stelde hij eveneens meermaals een daad van barmhartigheid.  
Ondanks het degelijke beheer van de goederen van de landcommanderij en een zekere budgettaire en financiële discipline nam de schuldenberg zienderogen toe.


Zijn “Nederlandse zuinigheid” was eerder selectief.  Het lijkt erop dat hij op de uitgaven voor spijs en drank niet beknibbelde, maar zijn outfit was blijkbaar wel van ondergeschikt belang.  In de rekeningen komen regelmatig garen en stof voor om kleren van de landcommandeur te herstellen.  In ieder geval was het budget voor kleding en schoeisel eerder beperkt.  Allicht om de kosten te drukken werd het breiwerk van zijn kousen en onderbroeken aan de franciscanessen van Bree overgelaten.

 

Het mocht allemaal niet baten.  Bij zijn dood op 12 februari 1709- wellicht werd hem een infectie noodlottig- had Hendrik tijdens zijn landcommandeurschap liefst 59 983 gulden schulden gemaakt.  De heer van stand had blijkbaar boven zijn stand geleefd! Toch zou hij nog met de nodige eer begraven worden, alleen is niet geweten waar.  Definitief afscheid van hun gewezen, geliefde commandeur en heer hadden de Gruitrodenaren niet kunnen nemen.  Drie eeuwen na zijn overlijden is hij echter in de vorm van de Royse reus Hendrik van Wassenaer herboren.  Na zijn inschrijving in het bevolkingsregister zal hij eindelijk voor altijd één van ons blijven.

 

Bronnen

 

DOZA (Deutschordenszentralarchiv), Wenen, Ri 430 nr. 1996 en 1997

DOZA, Wenen, Urkunden

DOZA, Wenen, Ab 277/1

RAH (Rijksarchief Hasselt), Alden Biesen, nr. 2722
 

Werken

 

J. Corstjens Drie commandeurs,-Commanderij Gemert Beeldend verleden, Gemert, 1990, p. 65 -73

J. Corstjens Goede nabuurschap tussen Gruitrode en Meeuwen,- De Reengenoten, jubileumnummer 1977-1997, p. 35-37

H.M. Brokken Heren van Wassenaer van stand Achthonderd jaar Nederlandse adelsgeschiedenis Zoetermeer, 2001

H.G.A. Abreen Geschiedenis van het Geslacht van Wassenaer Leiden, 19

 

This site was designed with the
.com
website builder. Create your website today.
Start Now